Natuur in de Wijk richt zich specifiek op vier soorten:

Vleermuizen, huismussen, gierzwaluwen en insecten (wilde bij)

Al deze diersoorten komen voor in typische stedelijke “biotopen”. Met een biotoop wordt een landschapstype bedoeld waarin bepaalde dieren leven, foerageren, nestelen, voortplanten etc., in andere woorden de leefomgeving van een soort.

Helaas wordt de voedselvoorraad en nestgelegenheid voor deze soorten door diverse redenen steeds kleiner. Verstening van tuinen, minder beplanting en geïsoleerde huizen die vogels en vleermuizen geen plekje meer bieden om te nestelen of schuilen zijn een aantal voorbeelden hiervan.

Het behoud van de biodiversiteit in de stad is erg belangrijk. Inwoners van steden behouden zo beter hun connectie met de natuur, wat op zijn beurt zorgt voor minder stress en andere negatieve gevoelens bij mensen.  Vleermuizen en gierzwaluwen zijn daarnaast ook nog eens uitstekende insectenvangers, die helpen de hoeveelheid muggen en vliegen in steden te verminderen. Natuur in de Wijk biedt inwoners van deelnemende gemeenten de kans om deze diersoorten voedsel en veiligheid te bieden in de vorm van beplanting, nestkasten en verblijfskasten.

Huismussen zijn koloniebroeders, en broeden dus graag met meerdere paartjes dicht bij elkaar. Daarom zitten ze vaak in groepjes onder de dakpannen of in de houtstapel. Ze houden van rommelige tuinen met veel variatie, maar niet zo van hoge bomen. Huismussen zijn standvogels: ze trekken dus niet weg van hun nestplaats zoals de gierzwaluw.

Gierzwaluwen spenderen vrijwel hun hele leven in de lucht, en landen alleen op het nest om te broeden en hun jongen te voeren. Ze eten tot zo’n 15.000 insecten per dag. Gierzwaluwen broeden hoog in gebouwen, en zijn daarom gebonden aan een stedelijke biotoop. Kerktorens, flatgebouwen en hoge gevels zijn erg in trek. Tegenwoordig nemen de holtes en kiertjes waar de zwaluwen kunnen broeden af, maar wordt er met succes steeds vaker gebruikgemaakt van nestkasten.

Vleermuizen komen in steden in allerlei soorten en maten voor: gewone dwergvleermuizen, laatvliegers, watervleermuizen en rosse vleermuizen. Wijken kennen een heel scala aan deze insectenjagers. Vaak zie je ze bij het vallen van de schemering plotseling door de lucht scheren als een zwarte schaduw tegen een donkerblauwe hemel. Ze houden zich overdag schuil in kiertjes en holletjes in gebouwen, garages en schuren, maar ook in bomen, bijvoorbeeld.

Bijen zijn onmisbaar. Veruit het grootste gedeelte van de bestuivers in Nederland die ervoor zorgen dat onze fruitbomen, gewassen en bloemen bestoven worden, zijn wilde bijen. En juist met die soort gaat het niet goed. De helft van de in totaal 358 soorten is bedreigd. Wilde bijen leggen hun eieren solitair, dat wil zeggen, ze hebben geen kolonie zoals honingbijen dat hebben. Juist daarom is een insectenhotel van onschatbare waarde voor de wilde bij. Ze kunnen daar rustig overwinteren, schuilen en hun eitjes leggen, veilig in een staafje bamboe, dat ze dichtmetselen als hun eitjes gelegd zijn. Wilde bijen zijn daarnaast volledig vredelievend: in tegenstelling tot honingbijen, kúnnen ze niet steken. Een insectenhotel zoals uitgedeeld door Natuur in de WIjk, is ook niet interessant voor honingbijen of wespen, dus brengt geen overlast met zich mee.

© Orbis natuur | landschap | klimaat